terug naar MIJN AUTISME

naar totaal overzicht:      aspie-logisch               chrono-logisch                      thema-logisch

naar deel overzicht       aspie 201 - 300        chrono 70 jaar                    thema autistisch

 

02-11-2016

goed geheugen voor getallen

 

282 A1 2016

 

Al vrij jong besefte ik dat een goed geheugen had voor getallen. Pas veel later realiseerde ik me dat mijn geheugen voor namen en gezichten beduidend minder goed was.

 

Na mijn diagnose begon het besef te komen dat ik een slecht geheugen heb voor sociale dingen: het lijkt er op dat mijn “sociale database” veel kleiner is dan bij normale mensen. Maar mijn feitenkennis is veel groter. En mijn interesse voor getallen (en bijgevolg goed overweg kunnen met wiskunde) maakten mij geschikt voor een beroep in de beta-richting, maar de omgang met getallen vergt geen goed sociaal inzicht. Getallen hebben geen humeur of onuitgesproken wensen en verwachtingen. Dus de sociale regeltjes leren is dan minder nodig c.q. het gebrek aan sociaal begrip levert bij het omgaan met getallen veel minder problemen.

 

Grote interesse kan een stimulans zijn, maar als het opslaan c.q. onthouden een probleem is, dan zal de interesse vaak bekoelen. Omgekeerd zal de mogelijkheid om kennis voor een onderwerp op te slaan de interesse kunnen aanwakkeren.

 

Maar wat is oorzaak en wat is gevolg? Interesse in feiten versus interesse in sociale regeltjes? Of kunnen begrijpen van sociale regels versus kunnen begrijpen van feiten.

Of zijn dit beiden een gevolg van een andere oorzaak?

 

De vraag dringt zich dan op: hoeveel geheugen vergt de sociale database?

 

Als je een menselijk geheugen vergelijkt met een eenvoudig computergeheugen dan kun je een verdeling maken in: 1. programma, 2. vaste gegevens (databases) en werkgeheugen. Als een bestand wordt gecomprimeerd, dan kan de grootte kleiner worden, maar de verwerking wordt daarvoor trager (decomprimeren, verwerken, en dan weer comprimeren). Dat gebeurt in het werkgeheugen. Hoe groter de database, hoe geringer het werkgeheugen of het programma-geheugen. Als bij een mens het programma-geheugen en het werkgeheugen een tamelijk vaste grootte heeft dan betekent dit: meer sociale database ruimte gaat ten koste van ruimte voor feitenkennis of omgekeerd. De geringe sociale database bij autisten kan dus goed kloppen met een grotere feitenkennis.