terug naar MIJN AUTISME

naar totaal overzicht:      aspie-logisch                     chrono-logisch                        thema-logisch

naar deel overzicht     aspie 101 - 200    chrono 50 t/m 59 jaar     thema relatie met ouders

 

22-12-2016

laatste brief vanToos

 

192 C 1988

 

In het najaar van 1988 ontving ik een brief van mijn moeder. Met stijgend verbazing las ik de inhoud. Ze was beledigd door mijn gedrag bij onze laatste ontmoeting. Ik moest mijn gedrag tegenover haar veranderen, want anders wilde zij mij niet meer terugzien.

 

Het bleek dat het feit dat ik haar had afgewezen (ik wilde haar geen 3 zoenen geven, want ik vond 1 wel genoeg) de druppel was geweest die de emmer deed overlopen.

 

Terwijl ik in de dagen na de ontvangst van de brief nog nadacht over de aantijging, kwam er nog een brief. De enveloppe was getypt en bevatte geen afzender. Maar aan het (door de post aangebrachte) poststempel kon ik al vermoeden dat die brief van haar afkomstig was. De brief was volledig getypt, zodat herkenning d.m.v. het handschrift onmogelijk was. De inhoud was zeer onpersoonlijk opgesteld, maar bevatte zoveel persoonlijke adviezen, dat de herkomst mij wel duidelijk was. Bijvoorbeeld de zinsnede: “als je een goed contact met mensen wilt hebben, moet je beginnen met een goed contact met je moeder”.

 

In de eerste brief werd vermeld dat ze – als ik niet veranderde – ze mij absoluut niet meer wilde zien. Die opmerking riep bij mij de reactie op: “dan ben ik daar eindelijk vanaf”. Ik zou niet degene zijn die het contact verbroken had, maar slechts haar wens inwilligen. Want veranderen zou ik niet. Het schrikbeeld van een jammerende vrouw op straat voor mijn deur, die de hele buurt bij elkaar schreeuwde leek te verbleken. Ik was er van overtuigd dat zij tot een dergelijke scene in staat was.

 

Hoewel ik de enkele keer dat ik over die brief vertelde, een afkeurende reactie kreeg, bleef ik bij mijn beslissing om niets meer van me te laten horen.

 

Enkele maanden later praatte ik over die brief met mijn jongste broer. Hij vertelde dat onze moeder hem die brief had voorgelezen, met de toevoeging: “dat zal hem wel tot inzicht brengen”. Hij had daarover toen een andere gedachte gehad: “die zie je nooit meer terug”. Dat gaf me het gevoel dat ik op de juiste manier had gereageerd.

 

Toen ik een paar jaar later in therapie ging bij een psychotherapeute, kwam deze brief ook ter sprake. De vrouw las de brief (die ik toen nog had) en reageerde verbijsterd: “is dit van je moeder”, met afschuw uitgesproken. Ze vond de inhoud onbegrijpelijk. Ik was erg opgelucht dat een vrouw, die zelf moeder was, zo verbijsterd reageerde. Dat onderstreepte mijn gevoel dat met mijn moeder niet normaal te praten was. Ik hoefde me niet langer zorgen te maken over afkeurende reacties van anderen als: “het is toch je moeder, die houdt natuurlijk erg veel van jou”. Dat ik dat gevoel mijn hele leven nooit gehad heb, was dus niet fout van mij.

 

Daarna kon ik deze episode afsluiten en de brieven vernietigen. Ik heb ze dus niet meer. Toen mijn moeder eind 1996 overleed was dat toch nog een gevoel van opluchting. Nu was het zeker dat ze niet onverwachts weer in mijn leven zou opduiken. Dat was dus nog altijd een verborgen angst geweest.