terug naar MIJN AUTISME

naar totaal overzicht:      aspie-logisch                     chrono-logisch                          thema-logisch

naar deel overzicht       aspie 101 - 200     chrono 0 t/m 9 jaar     thema relatie met ouders

 

05-02-2016

Toos over mannen

 

126 C 1955

 

In de loop van mijn jeugd, verbaasde ik me steeds meer over mijn moeder. En veel gehoorde opmerking was: “alle mannen zijn klootzakken en je vader in het bijzonder, maar jullie niet want jullie zijn mijn zoons”. Ook veel gehoord: “alle goede eigenschappen hebben jullie van mij, alle slechte eigenschappen van je vader”.

Dergelijke opmerkingen zei ze elke dag meerdere malen. Zo vond zichzelf intelligent, en alle andere mensen dom. Mannen waren volgens haar dommer en slechter dan vrouwen, maar wij , haar zoons, vielen daar niet onder.

Maar soms waren haar opmerkingen ronduit dom en beledigend. Toen 1 van mijn broers een keer een vriendin had meegenomen naar huis (we waren alle 3 student, en woonden op kamers), hoorde ze dat die vriendin kapster was. Meteen begon ze te vertellen over wat ze van kapsters dacht: “veel kletsen, wezenloos dom”. Toen mijn broer en ik wat geschokt reageerden, drong blijkbaar tot haar door dat dit niet geapprecieerd werd. Meteen zei ze daarop tegen die vriendin: “daar bedoel ik jou natuurlijk niet mee hoor”. En ging over op een ander onderwerp.

 

Regelmatig hoorde ik opmerkingen van haar, waaruit bleek dat ze zich verheven voelde over diverse buurvrouwen. Zij had 3 zoons gebaard, wat ze blijkbaar een prestatie vond. De meeste buurvrouwen hadden soms ook dochters, maar dat telde voor haar schijnbaar minder, want ze bleef neerbuigend over hen praten. Over haar iets jongere zuster ( 2 zoons en 6 dochters) heb ik haar weinig gehoord., behalve dat haar man dominee was en er graag nog meer had.

 

De tegenstrijdigheid dat mannen minder waren dan vrouwen, maar dat jongens baren zwaarder telde dan dochters baren, leek haar niet op te vallen.

 

Toen ze eens zei dat achter elke belangrijke man een vrouw stond, zei ik langs mijn neus weg: “maar achter elke tiran staat ook vaak een vrouw”. Meteen ging ze over op een ander onderwerp, want de verhalen over Helena Ceausescu waren toen veel in het nieuws.

 

Eén van haar “slimme” gedachten was: als je hetzelfde probleem met meerdere mensen hebt, dan moet je eens overdenken of dat niet bij jezelf licht. Toen ze daarna een half uur een tirade hield over wat andere mensen haar hadden aangedaan, confronteerde ik haar met die wijze les. Geschrokken keek ze even op en ging meteen over een onder onderwerp praten.

 

Vraagje: was haar centrale coherentie te zwak om deze tegenstrijdigheden op te merken??

Of was haar egoïsme dan wel arrogantie te groot??